Meer over de open call ArtGraduates Fresh Edit en over de andere geselecteerde projecten.
Voor de prehistorische mens werd de mythe de zin van het leven. Niet slechts een metafoor die ontraadseld moest worden om zo de zin erachter bloot te leggen: de ruimte van de mythe zelf is voor hem het toneel van die altijd aanwezige zin. Hij duikt erin onder, verdwijnt erin, om terug te keren naar het begin van de wereld en haar heelheid en de tijdloosheid van de orde te beleven. De moderne mens heeft de mythe met zijn rationaliteit echter uit de geleefde ervaring verdrongen en aan de logica onderworpen.
Het concept Mizení (v) mýtu (Verdwijnen in de mythe / verdwijnen van de mythe), samengesteld uit acht werken van Alice Marková, Kristýna Nejedlá Bujárková, Kristína Nguyenová, Tomáš Polcar, Klára Samcová en Jan Turner, probeert deze verandering in het menselijk denken en in de manier waarop de mens zich tot de wereld verhoudt te vatten. Het centrale motief is dat van de tijd, of preciezer het verschil tussen de gewone tijd en de mythische tijd; dit motief wordt aangevuld door de spanning tussen de tegenstellingen van verstarring en beweging, tussen het vermogen tot onmiddellijk beleven en dat tot kritische, rationele reflectie.
De geometrisering van Marková en die van Polcar lijken eerst de eenvoud en het gegeven-zijn van die mythische orde te vatten. In Průhled (Doorkijk) van Marková kan die orde nog vrijwel probleemloos lijken. Maar al hier vloeit het raster, dat de regels en het ritme bepaalt, op sommige plekken weg in het donker erachter. De tijd van de mythe verloopt niet lineair maar cyclisch – in de vorm van zeshoeken die op elkaar aansluiten of in elkaar vervlochten raken. De orde wordt echter geleidelijk ontwricht. In het schilderij Rytmy – hranice (Ritmes – grens) lijkt ze neergehaald of verzwolgen door een wild kleurvlak op de achtergrond. In het werk van Tomáš Polcar uit de cyclus SOMA verdwijnt ze langzaam in het donker, om hier en daar weer op te flitsen en te herinneren aan iets wat zich maar moeilijk zal laten vatten – het verlies van een manier om de wereld onkritisch, in haar heelheid, te zien en te beleven. Zo zijn ook in het autroportrait (portret van de ander) van Samcová verspreide fragmenten te zien, als uiteenvallende overblijfselen van een vroegere heelheid, gaandeweg verloren geraakt in een tijd die zich uit haar cycliciteit heeft losgemaakt. De mythe met al haar zekerheden lijkt te verdwijnen juist daar waar de maker, door die zekerheden te verstoren, zijn individualiteit toont – alsof het verlies van een ongedeelde orde de prijs moest zijn voor de geboorte van de mens als individu.


In dit concept sluit Landscape of a Fruit van Kristýna Nejedlá Bujárková niet alleen aan bij het motief van de mens die van de mythe afvalt, maar kan het op symbolisch niveau zelfs het beginpunt van die verandering worden. De vrucht – de appel – als begin. Als verbanning uit het paradijs van de tijdloosheid en als geworpenheid in de stroom van de tijd, maar ook als begin van de mens als kritisch denkend wezen. Een wezen dat gedwongen is te leren bestaan op de as van verleden, heden en toekomst en binnen haar horizon, en dat, met de aanvaarding van niet alleen de eigen vergankelijkheid, steeds vooruit moet gaan.
Kristína Nguyenová zegt dat ze in haar werk de weg naar de kern van de dingen volgt via hun veranderingen. Haar twee schilderijen tonen tegelijk de huiveringwekkende grootsheid en de breekbaarheid van die veranderingen. De kleurvlakken pulseren dynamisch en zijn in Rašení (Ontluiken) doorweven met levendige penseelstreken. De beweging van dat uitdijende ontluiken wordt echter begrensd en bepaald door statische grenzen die de eindigheid ervan vastleggen. Een spanning tussen beweging en bestendigheid ontstaat ook in haar Touha (Verlangen). Twee abstracte, oplichtende objecten worden meegevoerd door een donkerblauwe achtergrond. Anders dan in Rašení komt de spanning hier niet zozeer voort uit het contrast tussen de beweging en haar grens, als wel uit de spankracht die ontstaat tussen dat paar doorschenen objecten. Het ene spant zich, maakt zijn contouren los, misschien om de vorm voor zich in te halen en erin op te gaan. Het andere lijkt zich echter voor het eerste gesloten te houden, en de kloof tussen beide blijft onoverbrugd. Voorgoed of slechts voorlopig. Het kan een verlangen naar versmelting zijn en daarmee het verlangen om zichzelf te verlengen in de stroom van de tijd. Van een pas verworven tijd, waarin omkijken met verstarring wordt bestraft – in het perspectief van het al eerder geopende oudtestamentische verhaal kan Dřevo svázané plastovými řemínky (Hout gebonden met kunststof riempjes) van Turner in dit concept het telkens terugkerende falen van de mens symboliseren om de tijd in zijn lineariteit en onstuitbaarheid te aanvaarden. Maar misschien is ook zo’n verandering door falen niet definitief, en schiet uit het verstarde na verloop van tijd opnieuw weelderig leven op – zoals het hout van een paal die herhaaldelijk door riempjes wordt ingesnoerd, keer op keer golft en uitgroeit.


Het gepresenteerde concept wil de metamorfose van de mythische mens tot een kritisch denkend individu symbolisch verbeelden, een individu dat verantwoordelijk is voor zijn keuzes en voortdurend worstelt met zijn begrensdheid in een nieuwe dimensie van de tijd. Tussen de kenmerkende poëtica’s van de zes kunstenaars vindt het echter tegelijk een gemeenschappelijk punt juist in hun niet-letterlijkheid. In het feit dat ze verwijzen naar iets wat verloren gaat en ontsnapt, wat het verstand niet volledig kan doorgronden. En daarmee voltrekt zich misschien tegelijk een kentering. De vraag rijst of de zo aangeduide weg zichzelf niet gedeeltelijk vernietigt, en of en in hoeverre juist de ruimte van het kunstwerk de plek kan zijn waar de nog altijd verdwijnende mythe doorschemert. Een ruimte waar, al is het maar even, de individuele intentie en de overweging van de moderne mens botsen met de beleving van wat ze te boven gaat.



